Ondergrond

Onderzoek naar eindberging van kernafval en gevolgen voor Noord-Nederland

08 januari '26

Er komt een onderzoek naar de gevolgen voor Noord-Nederland door de eindberging van kernafval. De SP fracties in Groningen en Drenthe hebben hierover vragen gesteld aan de colleges van Gedeputeerde Staten.

Afbeelding protest red de zorg

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft tot en met 2035 een bedrag van 188,5 miljoen euro gereserveerd voor onderzoek naar de definitieve opslag van kernafval in zoutkoepels of kleilagen. Dit onderzoek wordt gefinancierd uit het Klimaatfonds. Dit blijkt uit documenten die op 24 december 2025 door het ministerie van Financiën zijn gepubliceerd op grond van de Wet open overheid (Woo).¹²³ Het onderzoeksprogramma is mede een reactie op de vele inspraakreacties vanuit Noord-Nederland op plannen voor opslag in zoutkoepels.

Tijdens deze inspraak is herhaaldelijk gewezen op de bovengrondse gevolgen van eindberging, waaronder het ruimtebeslag van circa 2,5 km² voor exploitatie en ondersteunende infrastructuur. In het nieuwe onderzoeksprogramma wordt expliciet aandacht besteed aan toekomstig bovengronds ruimtegebruik. Daarbij wordt onder meer gesproken over “schuin graven en boren”, zodat de bovengrondse faciliteiten niet loodrecht boven de ondergrondse bergingslocatie hoeven te liggen. In het geval van Pieterburen bevindt de top van de zoutkoepel zich bijvoorbeeld onder het dorpscentrum.

  1. Welke concrete criteria worden binnen dit onderzoeksprogramma ontwikkeld om te bepalen of en waar een bergingslocatie “schuin” onder een andere bovengrondse locatie kan worden aangelegd?
  2. Hoe worden deze criteria getoetst aan bestaande provinciale wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur, landschap en leefomgeving?
  3. Welke rol heeft de provincie bij deze toetsing, zowel tijdens het onderzoek als in eventuele vervolgbesluiten?

Uit de vrijgegeven stukken blijkt dat ook sociaalwetenschappelijk en sociaaleconomisch onderzoek deel uitmaakt van het programma. Dit betreft onder meer onderzoek naar besluitvormingsprocessen en participatiemethoden rond eindberging; perceptie en communicatie van risico’s; en de sociaaleconomische impact van de operationele fase van eindberging, waaronder werkgelegenheid. In de stukken wordt gesteld dat het verkrijgen van een zo groot mogelijk “regionaal draagvlak” van groot belang is voor het slagen van eindberging.

  1. Hoe gaat het college waarborgen dat het onderzoek naar draagvlak en maatschappelijke effecten onafhankelijk en objectief wordt uitgevoerd, en niet wordt ingezet als instrument om onder verwijzing naar (vermeende) werkgelegenheid het regionale draagvlak actief te sturen of te beïnvloeden?

Als alternatief wordt ook eindberging onder de zeebodem onderzocht. Dit roept vragen op over eerdere onderzoeken. De Rijks Geologische Dienst (RGD) publiceerde in 1982 een studie naar zoutkoepels onder de Noordzee.⁴ In 1984 werd geconcludeerd dat deze zoutstructuren niet voldeden aan de toen door de overheid gestelde criteria, waarna opslag in deze zoutkoepels niet langer in beleidsstukken werd genoemd.

  1. Is het college op de hoogte van nieuwe technologische of wetenschappelijke inzichten die een hernieuwde belangstelling voor eindberging onder de zeebodem rechtvaardigen?
  2. Zo ja, kan het college deze inzichten met Provinciale Staten delen?
  3. Zo nee, wat is de opvatting van het college over het opnieuw openen van deze optie, en welke positie wil het college hierin richting het Rijk innemen?

Greetje Dikkers, SP

1 https://open.overheid.nl/details/ca5c2206-e2d6-402a-a738-23b69687976b; https://www.rijksoverheid.nl/documenten/woo-besluiten/2025/12/24/tweede-deelbesluit-op-woo-verzoek-over-totstandkoming-wijzigingen-klimaatfonds, 24 december 2025.

2 https://www.laka.org/nieuws/2026/ienw-claimt-bijna-e190-miljoen-voor-eindberging-kernafval-veel-meer-dan-kamer-hoorde-730328, 2 januari 2026.

3 http://houdgroningenovereind.nl/Kernafval2026.html, 5 januari 2026.

4 Rijks Geologische Dienst (RGD), Geologisch onderzoek van twee zoutstructuren onder de Noordzee, (1982). RGD-rapport 3037/7537.

Deze website gebruikt cookies!

Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring te verbeteren en om ons te helpen onze diensten te optimaliseren. Voor meer informatie over hoe wij cookies gebruiken, lees onze cookieverklaring.